Congres 2005

OV-beleid, de regio aan het stuur?

Openbaar vervoer is in. Projecten als de Noord-Hollandse Zuid-Tangent, de Phileasbus in Eindhoven en Lightrail zijn het bewijs van ontwikkeling en technische innovatie. Ook bestuurlijk en organisatorisch staat openbaar vervoer in de belangstelling. Door de stelling ‘Decentraal wat kan, centraal wat moet’ uit de Nota Mobiliteit is de discussie over de taakstelling voor de verschillende bestuursniveaus losgebarsten. De decentralisatie, gericht op het vergroten van de keuzevrijheid voor regionale overheden en provincies, is op regionaal niveau met belangstelling ontvangen.

Een goede samenhang tussen ruimtelijk economische ontwikkeling, leefbaarheid en mobiliteit, directe relaties tussen bestuurders en burgers, het in één hand leggen van kosten en baten en het vergroten van de mogelijkheden voor een multimodale benadering van mobiliteit worden door de Raad voor Verkeer en Waterstaat als voordelen genoemd. In het rapport ‘De waarde van het openbaar vervoer ’ constateert de Raad echter ook risico’s. De afstemming tussen OV-netwerken die regiogrenzen overschrijden, de aanwezigheid van minder kennis op decentrale schaal, verlies van schaalvoordelen en verschillen tussen regio’s zijn onder meer punten die aandacht verdienen. Provincies en WGR-plus regio’s worden geconfronteerd met deze contrasterende aspecten van het decentralisatiebeleid. Belangrijkste vraag op regionaal niveau is hoe hier mee om te gaan en waar verantwoordelijkheden neer leggen. Daarnaast spelen Europese regels omtrent aanbesteden en de Wet Personenvervoer 2000 een rol evenals de mogelijkheden tot het genereren van regionale inkomstenbronnen. Kortom, de regio achter het stuur, maar wat zijn figuurlijk de eisen voor het rijbewijs, de kwaliteit van het voertuig en hoe de rit af te stemmen op andere bestuurders?

LEAVE A COMMENT